Champignontelers zoeken alternatief voor veen

07 juli 2015

De champignonteelt kan niet zonder veengrond. Omdat de bezwaren groeien tegen het afgraven van de unieke veengronden zoekt de sector naarstig naar alternatieven. Dat valt nog niet mee.

‘Het goede nieuws is dat het lukt om het restmateriaal uit de champignonteelt op te werken tot een mooi vezelig product, dat als alternatief kan dienen voor veen”, zegt Caroline van der Horst, onderzoeksdirecteur bij C4C Holding. Dit bedrijf voorziet champignonkwekers in Nederland en daarbuiten van teeltsubstraten. Met het hergebruik van restmateriaal zou de sector een mooie stap zetten richting circulaire economie. Maar het slechte nieuws is dat het de onderzoekers nog niet is gelukt om het nieuwe product even schoon te krijgen als veen, zonder potentiële gevaren voor de productie als schimmels en bacteriën. ‘Daarmee is het op dit moment nog een No go voor de telers.’

Maagdelijk

Witte en kastanjechampignons groeien op een bed van compost, met als belangrijkste bestanddeel stro. Daarover heen gaat dekaarde, die voor het grootste deel bestaat uit veengrond. Veen houdt heel goed is in de teelt water vast, wat van groot belang is bij de champignonteelt (champignons bestaan voornamelijk uit vocht en voedingsstoffen. Minstens zo belangrijk is dat veen een schoon product is, en geen ziektekiemen bevat. ‘Maagdelijk’, zegt Van der Horst.

Een juiste omschrijving. Veen komt uit natuurgebieden, waar de invloed van de mens tot op het moment van afgraven minimaal was. Het veen voor de Nederlandse champignonteelt is vooral afkomstig uit Duitsland. Tegen het afgraven van veengebieden, die er duizenden jaren over hebben gedaan om zich te ontwikkelen, ontstaat echter steeds meer verzet. Ook omdat met het ontwateren en afgraven grote hoeveelheden CO2 vrijkomen. De Duitse autoriteiten geven daarom geen vergunningen meer af voor de exploitatie van nieuwe veengronden. De champignontelers zijn nu gedwongen hun veen uit verder weg gelegen landen te halen, zoals de Baltische staten. Dat leidt tot veel hogere transporten. Het gaat om forse hoeveelheden: op jaarbasis gebruikt de Nederlandse champignonteelt zo’n 450.000 kubieke meter aan veen. Overigens gebruikt de potgrondindustrie nog veel meer veen.

Champost

C4C Holding – volledig eigendom van de coöperatie CNC, waar vrijwel alle Nederlandse champignontelers bij zijn aangesloten – zoekt het alternatief dicht bij huis. Met steun van het subsidieprogramma Bedrijven & Biodiversiteit probeert het sinds anderhalf jaar een veenvervanger te produceren uit champost, het restproduct van de teelt bestaande uit compost en dekaarde. Champost wordt door de wetgever beschouwd als dierlijke mest (het stro voor de compost komt uit paardenmest). Daardoor telt het mee in de mesthuishouding en is het voor veel telers niet aantrekkelijk als bodemverbeteraar. C4C experimenteert nu met anaerobe vergisting van de champost. Dat moet biogas opleveren, én de gehoopte veenvervanger. Doel is binnen vijf jaar het veengebruik in de champignonteelt met ruim de helft terug te dringen.

Of dat doel wordt gehaald hangt af van de vraag of het lukt alsnog veen schoon product te realiseren. ‘We vergisten onder hoge temperaturen’, zegt Van der Horst, ‘en hadden verwacht daarmee alle schimmels en bacteriën te doden. Maar dat is dus niet zo.’ Samen met onderzoekers van de Universiteit Wageningen wordt de komende tijd geanalyseerd wat er precies misgaat, en hoe het beter kan. Van der Horst: ‘De business case staat of valt met de kwaliteit van het alternatieve product. Zolang we die niet kunnen garanderen, beginnen telers er niet aan. Maar we gaan er alles aan doen om dit probleem op te lossen.’

Dit is een bericht van Platform Biodiversiteit, Ecosystemen & Economie, een initiatief van VNO-NCW en IUCN NL.

TERUG NAAR NIEUWS